Vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing: diverse wijzigingen

Auteur: Peggy Criel (Legal Expert)
Datum:

Op 1 april 2022 wijzigden niet enkel de toepassingsvoorwaarden voor de vrijstellingen in het kader van ploegenarbeid en nachtarbeid. Verschillende andere vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing werden ook aangepast. Hierna volgt een overzicht van de wijzigingen.

Ploegenarbeid bij werken in onroerende staat

Ondernemingen waar werknemers, in ploeg, werken in onroerende staat op werven verrichten genieten een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Werken in onroerende staat zijn werken zoals bedoeld in artikel 20, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

RSZ-aanmelding

Sinds 1 april 2022 is de vrijstelling enkel voorbehouden aan werken in onroerende staat die overeenkomstig artikel 30bis van de RSZ-wet van 27 juni 1969 zijn aangemeld bij de RSZ, althans voor zover de werken onder het toepassingsgebied vallen van het artikel 30bis.

Meer info over deze melding vindt u op de website van de RSZ.

Cumulverbod

Net zoals bij de vrijstelling voor ploegenarbeid en de vrijstelling voor nachtarbeid wordt een cumulverbod ingevoerd. Er is geen vrijstelling voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat op de bezoldiging als op diezelfde bezoldiging al een vrijstelling voor ploegenarbeid of een vrijstelling voor nachtarbeid wordt toegepast.

Erkende uitzendondernemingen

Uitzendondernemingen die uitzendkrachten ter beschikking stellen van ondernemingen waar ploegenarbeid bij werken in onroerende staat wordt verricht en waarbij de uitzendkrachten in een dergelijk ploegenstelsel werken, genieten ook deze vrijstelling op de belastbare bezoldigingen van de betrokken uitzendkracht.

De uitzendondernemingen moeten hierbij het bewijs kunnen leveren dat zij aan al de toepassingsvoorwaarden van de vrijstelling voldoen.

Vanaf 1 oktober 2022 wordt deze vrijstelling enkel toegestaan op voorwaarde dat de uitzendondernemingen het akkoord hebben verkregen van de onderneming waarin de uitzendkrachten zijn tewerkgesteld om de vrijstelling voor ploegenarbeid bij werken in onroerende staat toe te passen.

Uitsluiting fiscaal voluntariaat

De berekening van bepaalde vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing wordt sinds 1 april 2022 niet meer toegepast op het zogenaamde fiscaal voluntariaat, dit is het gedeelte van de bedrijfsvoorheffing dat aanvullend wordt ingehouden bovenop de bedrijfsvoorheffing die wettelijk minimaal verschuldigd is.

De uitsluiting geldt voor de volgende vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing in het kader van:

  • de koopvaardij-, bagger- en sleepvaartsector;
  • het wetenschappelijk onderzoek;
  • de sportbeoefenaars;
  • de steunzones;
  • de startende ondernemingen.

Overwerk

Bepaalde werkgevers genieten een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor werknemers die overwerk presteren. Een voorwaarde is wel dat voor deze uren overwerk een overwerktoeslag wordt betaald. Deze overwerktoeslag werd echter niet bij wet gedefinieerd.

Voortaan wordt uitdrukkelijk bepaald dat het moet gaan om overwerk dat, overeenkomstig artikel 29 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, recht geeft op een wettelijke overwerktoeslag

Aangezien de maatregel in praktijk al op deze wijze werd toegepast heeft deze verduidelijking in principe geen impact voor werkgevers.

Procedureregels

Verschillende procedureregels in het kader van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing werden aangepast. We zetten de belangrijkste op een rij.

Bijzondere verjaringstermijn

Een werkgever die heeft nagelaten de toepassing te vragen van een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing en die voor deze vrijstelling in aanmerking komt, kan die vrijstelling alsnog bekomen via een vordering van teruggave van bedrijfsvoorheffing.

Een regularisatie van de bedrijfsvoorheffing is dan mogelijk via een bezwaarschrift. De termijn waarbinnen deze regularisatie kan worden gevraagd bedraagt vijf jaar te rekenen van 1 januari van het jaar tijdens hetwelk de bedrijfsvoorheffing werd betaald.

Deze verjaringstermijn wordt aangepast. Vorderingen van teruggave van bedrijfsvoorheffing die worden ingediend vanaf 1 juli 2022 verjaren na afloop van drie jaar te rekenen van 1 januari van het jaar dat volgt op datgene waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd.

Voorbeeld:

En werkgever heeft nagelaten de toepassing te vragen van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijk onderzoek voor de inkomstenjaren 2018 en 2019. Hij wenst een vordering tot teruggave van bedrijfsvoorheffing in te stellen. Dient hij deze vordering in vóór 1 juli 2022 dan kan hij de teruggave van bedrijfsvoorheffing vragen voor beide inkomstenjaren. De verjaringstermijn van vijf jaar voor inkomstenjaar 2018 die aanvangt op 1 januari 2018 is immers nog niet verstreken. Dient hij deze vordering in vanaf 1 juli 2022, kan hij enkel de vordering tot teruggave van bedrijfsvoorheffing voor inkomstenjaar 2019 instellen. De verjaringstermijn van drie jaar voor inkomstenjaar 2018 vangt immers aan op 1 januari 2019 en liep af op 31 december 2021.

Aangifte vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing

Via koninklijk besluit kan een aangifte worden ingevoerd die, voor elk van de werknemers of sommige van deze werknemers van wie de bedrijfsvoorheffing niet of niet volledig aan de Schatkist wordt doorgestort, een aantal gegevens moet vermelden.

Deze nieuwe aangifte zal ten vroegste van toepassing zijn op bezoldigingen die vanaf 1 januari 2023 worden toegekend of betaald.

Tot op heden is nog maar weinig informatie bekend over de vorm of inhoud van deze nieuwe aangifte.

Belastingverhoging

Sinds 1 april 2022 kan een werkgever bij een onjuiste aangifte in de bedrijfsvoorheffing, die aanleiding geeft tot een vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, gesanctioneerd worden met een belastingverhoging.

Deze verhoging wordt bepaald naargelang de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal waarvan de trappen bij koninklijk besluit worden vastgesteld en gaande van 10 % tot 200 % van de onjuist aangegeven vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing.

Deze verhoging zal niet worden toegepast bij afwezigheid van kwade trouw. 

Bron: Wet houdende verlaging van lasten op arbeid, B.S. 31 maart 2022.

De website van Partena Professional is een kanaal om informatie in een begrijpelijke vorm ter beschikking te stellen aan aangesloten leden en niet-leden.

Partena Professional streeft er naar actuele informatie aan te bieden en deze informatie wordt met de grootste zorg samengesteld (onder andere in de vorm van Infoflashes).

Maar aangezien de sociale en fiscale wetgeving voortdurend in beweging is, kan Partena Professional geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden inzake de juistheid, het up-to-date zijn of de volledigheid van de informatie die via deze website werd geraadpleegd of uitgewisseld.

Verdere bepalingen kunnen worden nagelezen in onze algemene disclaimer die van toepassing is bij elke raadpleging van deze website. Door deze website te raadplegen, aanvaardt u uitdrukkelijk de bepalingen van deze disclaimer. Partena Professional kan de inhoud van deze disclaimer eenzijdig wijzigen.