Opzeggingsclausules voor "hogere" bedienden gesloten vóór de wet eenheidsstatuut blijven geldig!

Auteur: Catherine Legardien
Datum:

Tot dit besluit is het Grondwettelijk Hof gekomen in een arrest van 18 oktober 2018.

Het Hof oordeelde, na een prejudiciële vraag, dat artikel 68 van de wet betreffende het eenheidsstatuut in strijd is met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. Het artikel laat voor “hogere” bedienden immers niet toe dat er een opzeggingsclausule wordt toegepast die geldig was op die datum voor de berekening van het eerste deel van de opzeggingstermijn gekoppeld aan de anciënniteit verworven op 31 december 2013.

DE FEITEN

Een “hogere” bediende wiens arbeidsovereenkomst vóór 1 januari 2014 werd gesloten waarin een opzeggingsclausule stond[1], werd ontslagen met de betaling van een ontslagvergoeding in de loop van 2015. De toepassing van deze opzeggingsclausule gaf de werknemer recht op een vergoeding voor 41 maanden en 10 weken opzeggingstermijn, rekening houdend met zijn anciënniteit, leeftijd en loon op het ogenblik van de beëindiging.

De werkgever weigerde echter deze opzeggingsclausule toe te passen op grond van het feit dat deze niet langer geldig was. Hiervoor roept hij artikel 68 van de wet betreffende het eenheidsstatuut in.

De bediende heeft een rechtsvordering ingesteld bij de arbeidsrechtbank van Gent om de toepassing van de opzeggingsclausule te vorderen.

WAT STAAT ER IN HET ARTIKEL 68?

Ter herinnering, de opzeggingstermijn die in acht moet worden genomen in geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2014 die vóór die datum is gesloten, wordt bepaald door de optelsom van twee termijnen:

  • een eerste opzeggingstermijn berekend op basis van de anciënniteit verworven op 31 december 2013,
  • een tweede opzeggingstermijn, berekend op basis van de anciënniteit verworven vanaf 1 januari 2014[2].

Artikel 68 van de wet betreffende het eenheidsstatuut regelt het eerste deel van de opzeggingstermijn, die gekoppeld is aan de anciënniteit verworven op 31 december 2013. Deze opzeggingstermijn wordt in principe bepaald volgens de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die op 31 december 2013 op de werknemer van toepassing waren.

Voor bedienden met een brutojaarloon van meer dan € 32.254 (d.w.z. "hogere" bedienden) geldt echter een afwijkende regeling: de opzeggingstermijn moet worden vastgesteld op één maand per begonnen jaar anciënniteit in geval van opzegging door de werkgever, met een minimum van drie maanden.

Voor deze bedienden wordt het eerste deel van de opzeggingstermijn dus forfaitair vastgesteld. De conventionele afwijkende regels kunnen niet worden toegepast (in tegenstelling tot wat er is vastgelegd voor de “lagere” bedienden). Bijgevolg kon een eventuele opzeggingsclausule die bij de aanwerving van de bediende is gesloten, niet worden toegepast.

PREJUDICIËLE VRAAG

Alvorens een uitspraak te doen, wilde het Gerechtshof van Gent het Grondwettelijk Hof een vraag stellen over de verenigbaarheid van artikel 68 van de wet betreffende het eenheidsstatuut met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Is er immers geen sprake van discriminatie tussen de hogere bedienden en de andere werknemers wanneer de opzeggingsclausules die door de hogere bedienden zijn gesloten, niet worden aanvaard door de wet betreffende het eenheidsstatuut, in tegenstelling tot de opzeggingsclausules die door de andere werknemers zijn gesloten, aangezien de opzeggingstermijn voor laatstgenoemden met name is vastgesteld volgens de conventionele regels die van kracht waren op 31 december 2013?

WAT ZEGT HET GRONDWETTELIJK HOF?

Volgens het Hof is artikel 68 betreffende het eenheidsstatuut duidelijk en ondubbelzinnig. Het bepaalt dat het eerste deel van de opzeggingstermijn wordt bepaald op basis van de wettelijke, reglementaire en conventionele regels die van kracht waren op 31 december 2013. Anderzijds legt het voor hogere bedienden (met een brutojaarloon van meer dan € 32.254) een afwijkende regeling vast die, in geval van ontslag, het eerste deel van de opzeggingstermijn bepaalt volgens een forfaitaire formule. Er wordt op geen enkele wijze verwezen naar de mogelijkheid om eventuele contractuele opzeggingsclausules toe te passen.

Op basis van dit artikel onderzoekt het Hof uitsluitend voor wat betreft het eerste deel van de opzeggingstermijn:

  • enerzijds of er sprake is van discriminatie tussen de hogere bedienden en de andere werknemers en
  • anderzijds of het redelijkerwijze gerechtvaardigd is dat hogere bedienden op dezelfde manier worden behandeld, ongeacht of zij al dan niet vóór 1 januari 2014 een geldige opzeggingsclausule hebben gesloten.

Het Hof redeneert als volgt.

  1. De doelstelling van de wetgever was enerzijds te vermijden dat hogere bedienden op het ogenblik van de beëindiging van de overeenkomst nog zouden moeten onderhandelen over de opzeggingstermijn voor de anciënniteit verworven op 31 december 2013 en anderzijds rekening te houden met de legitieme verwachtingen van de werkgever en de werknemer met betrekking tot de anciënniteit verworven op die datum.
  2. Het Hof oordeelt dat deze twee doelstellingen legitiem zijn.
  3. Het Hof oordeelt daarentegen dat het onderscheid tussen hogere bedienden en andere werknemers en het onderscheid tussen hogere bedienden naargelang zij al dan niet een geldige opzeggingsclausule hebben gesloten vóór 1 januari 2014, niet pertinent zijn in het licht van de nagestreefde doelstellingen. De wettelijk regeling van opzeggingstermijnen geldt immers ook voor hogere bedienden met een geldige opzeggingsclausule, hoewel er in dat geval al contractuele zekerheid bestaat over de toepasselijke opzeggingstermijn.
  4. Het Hof besluit daarom dat artikel 68 van de wet betreffende het eenheidsstatuut niet verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het vraagt aan de rechter van het Gerechtshof van Gent – in afwachting van wetgevend optreden – een einde te maken aan de schending van deze normen. Dit betekent in de praktijk dat de rechter de opzeggingsclausule kan toepassen.

ONS ADVIES

Vooraleer u een hogere bediende ontslaat, moet u nagaan of zijn arbeidsovereenkomst geen opzeggingsclausule bevat die geldig gesloten werd vóór 1 januari 2014. Indien dit het geval is, moet u hiermee rekening houden voor het eerste deel van de opzeggingstermijn, d.w.z. de opzeggingstermijn die overeenstemt met de anciënniteit verworven vóór 1 januari 2014.

Bij lezing van het arrest blijkt dat de opzeggingsclausule ook moet worden toegepast in het geval dat zij een minder gunstig resultaat voor de bediende oplevert dan de toepassing van de wettelijke regeling (d.w.z. één maand per begonnen jaar anciënniteit, met een minimum van drie maanden).

Bron: Grondwettelijk Hof, 18 oktober 2018, nr. 140/2018 A.R. nr. 6668.

 

[1] Vóór de inwerkingtreding van de wet betreffende het eenheidsstatuut op 1 januari 2014, hadden bedienden met een brutojaarloon van meer dan € 64.508 (bedrag op 31 december 2013) krachtens artikel 82, §5 van de arbeidsovereenkomstenwet de mogelijkheid om uiterlijk bij indiensttreding een overeenkomst af te sluiten over de opzeggingstermijnen die door de werkgever in acht moeten worden genomen.

[2] Artikel 69 van de wet betreffende het eenheidsstatuut regelt het tweede deel van de opzeggingstermijn, berekend op basis van de anciënniteit verworven vanaf 1 januari 2014. Deze termijn wordt in principe bepaald volgens de wettelijke of reglementaire regels die van toepassing zijn op het ogenblik van de betekening van de opzegging en dus op basis van het geharmoniseerd stelsel (opzeggingstermijn in weken).