Gelijkstelling van de thuiswachtdienst met arbeidstijd

Auteur: Brigitte Dendooven
Datum:

Wordt thuiswachtdienst beschouwd als arbeidstijd?
Deze vraag werd al tig keren voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Recent nog, naar aanleiding van een geschil tussen een vrijwillige brandweerman en de stad Nijvel.

Sinds augustus 1981 is de heer Matzak vrijwillig brandweerman bij de stad Nijvel. Tijdens zijn wachtdienst moest hij niet alleen bereikbaar zijn, hij moest ook binnen de 8 minuten gehoor kunnen geven aan de oproepen van zijn werkgever en hij moest fysiek aanwezig zijn op een plaats die de werkgever bepaalde, namelijk in zijn woonst. We merken op dat de heer Matzak ook in dienst was van een privéonderneming.

In december 2009 heeft de heer Matzak een gerechtelijke procedure ingesteld met het oog op de veroordeling van de stad Nijvel tot betaling aan hem van een provisionele schadevergoeding van een euro wegens niet‑betaling tijdens zijn dienstjaren van de vergoeding voor zijn prestaties als brandweervrijwilliger, met name voor de door hem verrichte thuiswachtdiensten.

De arbeidsrechtbank van Nijvel heeft zijn beroep grotendeels toegewezen. De stad Nijvel heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het arbeidshof van Brussel. Dat hoger beroep werd gedeeltelijk toegewezen (arrest van 14 september 2015). Met betrekking tot de vergoeding die de heer Matzak vordert voor de thuiswachtdiensten, die volgens hem als arbeidstijd moeten worden aangemerkt, vraagt het arbeidshof zich af of dergelijke diensten kunnen worden geacht onder de definitie van arbeidstijd in de zin van richtlijn 2003/88 te vallen. Daarom heeft het arbeidshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie van de Europese Unie vier prejudiciële vragen gesteld.

Kort samengevat zijn dit de hoofdlijnen van de antwoorden van Europese Hof:

  • De richtlijn is effectief van toepassing voor brandweerlieden.
  • De lidstaten zijn niet bevoegd om de definitie van arbeidstijd in de zin van artikel 2 van richtlijn te wijzigen, maar mogen in hun nationale recht bepalingen opnemen waarin wordt voorzien in gunstigere arbeidstijden en rusttijden voor de werknemers dan die waarin die richtlijn voorziet. Het is de lidstaten met andere woorden niet toegestaan om een definitie van het begrip arbeidstijd vast te stellen (of te handhaven) die ruimer is dan de in de richtlijn 2003/88 gegeven definitie.
  • De lidstaten kunnen in hun nationale recht voorzien dat de beloning van een werknemer in ‘arbeidstijd’ verschilt van die van een werknemer in ‘rusttijd’, en zij kunnen zelfs zover gaan dat rusttijd niet wordt vergoed.
  • De thuiswachtdienst die wordt verricht door een werknemer, waarbij deze verplicht is om binnen 8 minuten gehoor te geven aan oproepen van zijn werkgever, zodat zijn mogelijkheid om andere activiteiten te ondernemen zeer sterk wordt beperkt, moet als ‘arbeidstijd’ worden aangemerkt. Het hof herhaalt in dit opzicht dat voor de kwalificatie als ‘arbeidstijd’ in de zin van de richtlijn beslissend is dat de werknemer fysiek aanwezig moet zijn op de door de werkgever aangewezen plek en zich daar ter beschikking van hem moet houden om indien nodig onmiddellijk de nodige prestaties te kunnen leveren.

Wat leren we uit dit arrest?

Om te vermijden, in zoverre dat mogelijk is, dat de thuiswachtdienst als arbeidstijd zou worden beschouwd:

  • de werknemer niet verplichten om op een welbepaalde plaats te blijven (ook al is dat zijn woonst);
  • een redelijke termijn voorzien voor zijn tussenkomst, met name rekening houdend met de plaats waar hij van wacht is.

De wachtdienstmodaliteiten zouden trouwens het voorwerp moeten uitmaken van specifieke bepalingen in het arbeidsreglement en de arbeidsovereenkomst van de betreffende personen.

Bron: arrest van het HJEU van 21 februari 2018 (zaak C-518/15, Matzac/stad Nijvel).

Auteur: Brigitte Dendooven

12/03/2018