De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk - Verhoging van de interne grens tot 143 uren

Auteur: Brigitte Dendooven
Datum:

De verhoging van de interne grens tot 143 uren is de derde maatregel met rechtstreekse werking omtrent de flexibiliteit van de arbeidsduur.
Wat is de draagwijdte hiervan?

De referteperiode

Overschrijdingen van de arbeidsduur zijn toegelaten op voorwaarde dat de wettelijke arbeidsduur of de arbeidsduur die werd vastgelegd door een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) in de sector of onderneming gemiddeld nageleefd wordt binnen een referteperiode. Het naleven van een gemiddelde arbeidsduur is slechts denkbaar mits inhaalrust wordt toegekend.

Deze referteperiode is, in principe, het kalenderkwartaal (artikel 26bis, §1 van de Arbeidswet van 16 maart 1971).

Deze periode kan verlengd worden tot maximum één jaar door een Koninklijk Besluit, of door een cao in de sector of de onderneming, of door een wijziging in het arbeidsreglement. Daarvan moet een kopie verstuurd worden naar de Voorzitter van het paritair comité waartoe de onderneming behoort, binnen 8 dagen vanaf de inwerkingtreding van de wijziging.

De duur van de referteperiode werd niet gewijzigd door de wet betreffende werkbaar en wendbaar werk.  

Interne grens

De wet legt een interne grens van de arbeidsduur op binnen de referteperiode. Het doel daarvan is het vermijden van een overbelasting aan arbeid zonder voldoende rust en een te grote accumulatie van overschrijdingen (waardoor de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur niet nageleefd zou kunnen worden aan het einde van de referteperiode).

Dat betekent wanneer een bepaald aantal overuren gepresteerd werd boven de gemiddelde wekelijke arbeidsduur, er onmiddellijk inhaalrust moet toegekend worden voor er opnieuw overuren gepresteerd mogen worden.

De interne grens van de arbeidsduur is dus het maximum aantal uren van overschrijding van de normale wekelijke arbeidsduurgrens dat nog moet worden ingehaald binnen de toepasselijke referteperiode (bron: FOD Werkgelegenheid).

Tot 31 januari 2017 lag deze interne grens op:

  • 78 uren wanneer de referteperiode een kwartaal of een andere referteperiode dekte;
  • 91 uren wanneer de duur van de referteperiode een jaar bedroeg. Deze verhoging tot 91 uren was slechts van toepassing vanaf 3 maanden na het begin van de referteperiode van één jaar, dus vanaf de 4e maand van de referteperiode.

Via een specifieke procedure kon deze interne grens opgetrokken worden naar 130 of zelfs 143 uren (als deze mogelijkheid voorzien werd door een cao in de sector).

Sinds 1 februari 2017 bedraagt de interne grens 143 uren, ongeacht de referteperiode. Dat betekent concreet dat de werknemer langer mag werken voor hij inhaalrust moet nemen.

Een cao in de sector die algemeen verbindend is verklaard bij Koninklijk Besluit kan deze grens verhogen (maar niet verlagen).

Ook al kunnen ‘vrijwillige’ overuren niet worden ingehaald (nieuw artikel 25bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971), ze worden meegeteld om te bepalen of de interne grens van 143 uren overschreden wordt, met uitzondering van de eerste 25 ‘vrijwillige’ overuren (verhoogd tot maximum 60 uren als dit voorzien is door een collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard).

Voorbeeld

Een werknemer heeft 60 vrijwillige overuren gepresteerd. Van die 60u zullen er slechts 35 (60 – 25) in aanmerking worden genomen om te bepalen of de interne grens is overschreden, wat zoveel betekent als dat (voor deze bepaling) slechts 35u zullen worden ‘verrekend’ in het plafond van 143u.    

Bron: artikel 5 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, B.S. 15 maart 2017.

Voor informatie in verband met de andere maatregelen, zie hier voor een compleet overzicht

Auteur: Brigitte Dendooven

21/03/2017