CO2-bijdrage (1): nieuwigheden

Auteur: Anne Beckers
Datum:

In de instructies aan de werkgevers van het tweede kwartaal 2014 heeft de RSZ verduidelijkingen geformuleerd over de CO2-bijdrage.

Deze verduidelijkingen hebben voornamelijk betrekking op:

  • Het vermoeden van privégebruik voor gewone voertuigen;
  • Het begrip vaste plaats van tewerkstelling;
  • Het begrip 'zeer occasioneel' privégebruik.

De laatste twee punten worden in een aparte Infoflash besproken.

Principe

Sinds 1 juli 2005 heeft de RSZ een vermoeden van privégebruik ingevoerd voor ieder voertuig, dat op naam van de werkgever is ingeschreven of dat het voorwerp uitmaakt van een huur- of leasingcontract of van gelijk welk ander gebruikscontract en dat ter beschikking van de werknemer wordt gesteld. Dit vermoeden werd opgenomen in artikel 38, §3, quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.

In de eerste plaats gold de veronderstelling zowel voor utilitaire voertuigen als voor gewone voertuigen. Dit werd gewijzigd door de administratieve instructies van de RSZ van het tweede kwartaal 2014. Momenteel werden enkel de instructies van de RSZ gewijzigd.  

Nieuwe definities

In het kader van de veronderstelling van privégebruik van de bedrijfswagen hanteert de RSZ voortaan het volgende onderscheid:

  • Utilitair voertuig : het betreft het gebruik van elk voertuig dat behoort tot de categorie M1 of N1 waarvoor er een CO2-bijdrage aangerekend kan worden. Concreet betreft het "een voertuig met een laadruimte achterin zonder ruiten waarin dus (wettelijk) geen passagiers mogen vervoerd worden". 
  • Gewoon voertuig: het betreft alle andere voertuigen die behoren tot de categorie M1 en N1 (personenauto, auto voor dubbel gebruik, minibus, monovolume/luxueus terreinvoertuig).  Concreet betreft het "een voertuig met achterin een passagiersruimte die kan omgevormd worden tot laadruimte. "

Gevolgen

De RSZ verduidelijkt in de administratieve instructies van het tweede kwartaal 2014 dat het privégebruik niet verondersteld wordt voor wat betreft utilitaire voertuigen.

Op basis van deze nieuwe instructies moeten de woon-werkverplaatsingen met een utilitair voertuig bijgevolg niet beschouwd worden als woon-werkverplaatsingen en moet er derhalve geen CO2-bijdrage aangerekend en ingehouden worden.

Drie belangrijke toelichtingen:

  • Het privégebruik van het utilitair voertuig dat aanleiding geeft tot de aanrekening en inhouding van de CO2-bijdrage kan steeds door de inspectiediensten vastgesteld worden op basis van feiten.
  • In ieder geval blijft de veronderstelling van privégebruik bestaan voor gewone voertuigen;
  • De wet van 29 juni 1981 die de veronderstelling van privégebruik voorziet werd niet gewijzigd. Momenteel bevestigt dus geen enkele wetswijziging het onderscheid dat gemaakt wordt door de administratieve instructies van de RSZ tussen utilitair voertuig en gewoon voertuig.

Bron: Administratieve instructies RSZ  2014/02.

Auteur: Anne Beckers

12/06/2014