Tewerkstelling aan werken in onroerende staat: als werknemer of zelfstandige?

Auteur: Els Poelman
Datum:

In bepaalde sectoren wordt de kwalificatie van een arbeidsrelatie geregeld door specifieke criteria. Het Koninklijk Besluit met de criteria voor werken in onroerende staat is zopas gepubliceerd. 

Om het fenomeen van schijnzelfstandigheid in te dijken werd einde 2006 de Arbeidsrelatiewet ingevoerd. Sindsdien zijn er wettelijke criteria om een arbeidsrelatie, ongeacht de contractuele benaming, te (her)kwalificeren als arbeidsovereenkomst dan wel zelfstandige arbeid op basis van de realiteit van de uitvoering.

Sinds 1 januari 2013 is de slagkracht van deze wet gevoelig versterkt, als één van de maatregelen in het federaal beleid van fraudebestrijding.  Nieuw is de introductie van een wettelijk vermoeden in vier sectoren: bewaking, werken in onroerende staat, goederen- en personenvervoer en schoonmaak. In deze sectoren wordt de contractuele vrijheid van partijen extra beperkt en wordt een arbeidsrelatie vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn als ze voldoet aan vijf (van een lijst van negen) welomschreven criteria.

In elk van deze sectoren kan een Koninklijk Besluit de standaard criteria aanpassen, zodat ze beter aansluiten bij de realiteit van het beroep. Na de bewaking is het nu de beurt aan de activiteiten die betrekking hebben op werken in onroerende staat.   

Samengevat gaat het om werken in onroerende staat, die thuishoren onder de bevoegdheid van  één van de paritaire comités aangeduid in het Koninklijk Besluit.

1. De activiteit is een “werk in onroerende staat”

Er wordt verwezen naar de definitie van de BTW- reglementering (art. 20 § 2 van het KB van 29 december 1992). Samengevat gaat het om deze activiteiten:    

  • werken in onroerende staat in de strikte zin van het BTW-Wetboek;
  • levering en plaatsing van wandbekleding of vloerbedekking; 
  • levering en aanhechting aan een gebouw van (gedeeltes) van:   
    •  centrale verwarming of airconditioning;  
    • sanitaire installaties aangesloten op waterleiding of riool; 
    • elektrische installaties (met uitzondering van toestellen voor verlichting en lampen); 
    • elektrische belinstallaties, brand- en diefstalalarm, huistelefoon; 
    • opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers voor keuken of badkamer; 
    • luiken, rolluiken en rolgordijnen gemonteerd aan de buitenkant van het gebouw.
  • herstelling, onderhoud en reiniging van (gedeeltes van) de goederen of installaties bedoeld in de vorige punten

2. De activiteit ressorteert onder één van de paritaire comités aangeduid in het Koninklijk Besluit

Het gaat om de vier sectoren/paritaire (sub)comités traditioneel bevoegd voor onroerende werken: 

  • bouwbedrijf (P.C. 124) 
  • stoffering en houtbewerking (P.C. 126) 
  • metaal-, machine- en elektrische bouw (P.C. 111) 
  • installatie en distributie elektriciteit (P.C. 149.01)

Vanaf 5 juli 2013 wordt een arbeidsrelatie vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn wanneer de situatie van de persoon die het werk uitvoert voldoet aan meer dan de helft - dus minstens vijf-  van deze criteria:

1. geen financieel of economisch risico in de onderneming wegens onder meer:

  • geen persoonlijke en substantiële investering met eigen middelen;
  • geen persoonlijke en substantiële deelname in winst/verlies;
  • een persoonlijke aanprakelijkheid die niet verder gaat dan de aansprakelijkheid bij bedrog, zware fout of lichte gewoonlijke fout – te evalueren op basis van het bestek of de verbintenissen aangegaan in het kader van de uitgevoerde werken

2. geen verantwoordelijkheid en beslissingsmacht in het het financieel beleid van de onderneming o.m. inzake uitgaven, ontvangsten, investeringen of aanwending van de (al dan niet eigen) middelen;

3. geen beslissingsmacht in aankoop- en prijsbeleid van de onderneming of geen vrijheid bij het identificeren van mogelijke klanten, het onderhandelen of het afsluiten van contracten;

4. garantie van een vaste vergoeding ongeacht bedrijfsresultaat of omvang van de prestaties – de evaluatie van dit criterium gebeurt zonder rekening te houden met vaste voorschotten om materiaal en grondstoffen aan te kopen;

5. geen vrijheid personeel aan te werven of zich te laten vervangen;

6. geen profilering als zelfstandige onderneming tegenover publiek of medecontractanten onder meer in logo’s, benaming op voertuigen, uithangborden of commerciële slogans;

7. activiteit hoofdzakelijk/gewoonlijk beperkt tot één medecontractant;

8. activiteit uitgevoerd in ruimtes (opslag –of werkplaatsen) buiten de werf of met voertuigen, materiaal of gereedschap waarvan men geen eigenaar/huurder/leasingnemer is of die ter beschikking gesteld worden door de medecontractant;

9. activiteit niet onafhankelijk van de werkploegen van de medecontractant of van de onderneming waarin men het statuut van werkend vennoot bezit.

Bronnen: Programmawet 27 december 2006 (Arbeidsrelatiewet); Koninklijk Besluit van 7 juni 2013, B.S. 25 juni 2013.

Auteur: Els Poelman

28/06/2013