Terbeschikkingstelling van werknemers en informatieverplichting voor de gebruiker

Auteur: Francis Verbrugge
Datum:

De programmawet van 27 december 2012 bepaalde onder welke voorwaarden een derde-gebruiker instructies kon geven aan de werknemers die hem ter beschikking werden gesteld door een werkgever.

Die derde-gebruiker heeft trouwens een informatieverplichting ten aanzien van zijn personeel. Die verplichting wordt voortaan verduidelijkt door een uitvoeringsbesluit van 17 juli 2013.

De activiteit die, uitgezonderd voor de uitzendondernemingen, voor een (natuurlijke of een rechts-)persoon erin bestaat door hem in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt, is, in principe, verboden.

Dat verbod betreft wat men doorgaans de 'uitlening van personeel' noemt.

Krachtens de programmawet van 27 december 2012 werd echter bepaald dat er geen uitoefening van enig gedeelte van het werkgeversgezag was wanneer de instructies door de gebruiker aan de werknemers van de werkgever werden gegeven ingevolge een geschreven overeenkomst tussen die gebruiker en de werkgever.

Die geschreven overeenkomst moet echter aan bepaalde voorwaarden beantwoorden en hierin moeten met name uitdrukkelijk en gedetailleerd de instructies bepaald zijn die door de derde-gebruiker gegeven kunnen worden. 

Wanneer een geschreven overeenkomst wordt gesloten tussen de werkgever van de ter beschikking gestelde werknemers en de derde-gebruiker (zie hiervoor), dan moet laatstgenoemde onmiddellijk de secretaris van zijn ondernemingsraad op de hoogte brengen van het bestaan van deze overeenkomst door middel van een eenvoudige schriftelijke of elektronische mededeling. De secretaris brengt vervolgens de leden van de ondernemingsraad daarvan op de hoogte.

Bij gebrek aan een ondernemingsraad wordt de informatie (door de derde-gebruiker) verstrekt aan de persoon die daartoe wordt aangeduid in het huishoudelijk reglement van het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW).

Deze persoon brengt vervolgens de leden van het CPBW daarvan op de hoogte.

Bij gebrek aan een CPBW wordt de informatie dan rechtstreeks bezorgd aan de leden van de vakbondsafvaardiging.

De derde-gebruiker moet aan de leden van zijn ondernemingsraad (van zijn CPBW of van de vakbondsafvaardiging) die daarom verzoeken ook een afschrift bezorgen van het gedeelte van de overeenkomst waarin de instructies zijn bepaald die hij aan de werknemers van de werkgever kan geven. Dat afschrift zal bezorgd worden binnen een termijn van 14 kalenderdagen of indien de overeenkomst van kortere duur is, vóór het beëindigen van deze overeenkomst.

Wanneer de derde-gebruiker, na hiertoe een verzoek te hebben ontvangen, weigert om een afschrift van de geschreven overeenkomst over te maken, wordt de overeenkomst geacht niet te bestaan, met als rechtstreeks gevolg dat de 'samenwerking' tussen deze gebruiker en de werkgever beschouwd moet worden als een terbeschikkingstelling van personeel die verboden is.

De procedure die beschreven is in het uitvoeringsbesluit is in werking getreden op 8 augustus 2013.

Bronnen: programmawet van 27 december 2012, B.S. 31.12.2012, Ed. 2: artikel 21; Koninklijk Besluit van 17 juli 2013 tot vaststelling van de procedure volgens dewelke de informatieverplichtingen, bedoeld in artikel 31, § 1, vijfde lid van de wet van 24 juli 1987, moeten worden nageleefd, B.S. 29.07.2013.

Auteur: Francis Verbrugge

30/08/2013