Strijd tegen de sociale fraude (2): terbeschikkingstelling van werknemers strenger aangepakt

Auteur: Peggy Criel
Datum:

De Programmawet van 27 december 2012 heeft een reeks maatregelen ingevoerd met het oog op de bestrijding van sociale fraude. De maatregelen zijn divers en hebben onder andere betrekking op:

  • de bestrijding van rechtsmisbruik in het kader van een grensoverschrijdende tewerkstelling in de Europese Unie;
  • de verstrenging van de reglementering betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers;
  • de bestrijding van wetsontwijking en wetsontduiking.

In deze infoflash bekijken we de maatregelen die werden genomen op het vlak van de reglementering betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers.

In België geldt een verbod op “terbeschikkingstelling van werknemers”. Een dergelijke terbeschikkingstelling houdt in dat een werkgever (de zgn. “uitlener”) zijn werknemer ter beschikking stelt (“uitleent aan”) van een derde. Deze derde (de zgn. “gebruiker”) maakt “gebruik” van de werknemer en oefent over hem een gedeelte van gezag uit dat normaal aan de werkgever van de werknemer toekomt.

Een werkgever mag zijn werknemers dus niet uitlenen aan een derde wanneer dit gepaard gaat met een overdracht van een deel van het werkgeversgezag van de oorspronkelijke werkgever (uitlener) naar de derde (gebruiker).

In de desbetreffende reglementering werd evenwel bepaald dat de overdracht van bepaalde deelaspecten van het werkgeversgezag door de uitlener aan de gebruiker niet als uitoefening van gezag wordt beschouwd. De  overdracht van deze aspecten van het werkgeversgezag vormt bijgevolg geen inbreuk op het verbod van terbeschikkingstelling van werknemers.

De deelaspecten van het werkgeversgezag die mogen worden overgedragen, zijn:

  • het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk;
  • instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake de uitvoering van het overeengekomen werk.

De Programmawet van 27 december 2012 past de deelaspecten van het werkgeversgezag aan die mogen worden overgedragen van een werkgever naar een derde wanneer deze derde een beroep doet op de werknemers van de werkgever.

De deelaspecten van het werkgeversgezag die voortaan mogen worden overgedragen, zijn:

  • zoals reeds bepaald in de bestaande wetgeving, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk;
  • instructies die door de derde worden gegeven aan de werknemers van de werkgever in uitvoering van een geschreven overeenkomst, op voorwaarde dat:
    • in deze geschreven overeenkomst uitdrukkelijk en gedetailleerd is bepaald welke instructies precies door de derde kunnen worden gegeven aan de werknemers van de werkgever;
    • dit instructierecht van de derde het werkgeversgezag van de werkgever op geen enkele wijze uitholt;
    • de feitelijke uitvoering van deze overeenkomst volledig overeenstemt met de uitdrukkelijke bepalingen van voormelde overeenkomst.

Er is bijgevolg sprake van een niet-toegelaten overdracht van werkgeversgezag (en bijgevolg een verboden terbeschikkingstelling) als de uitoefening van een gedeelte van het werkgeversgezag door de derde wordt gegeven:

  • zonder dat er tussen de werkgever en de derde een geschreven overeenkomst bestaat; of
  • wanneer de voormelde overeenkomst niet voldoet aan vereisten die hierboven werden vermeld; of
  • wanneer de feitelijke uitvoering van de voormelde overeenkomst niet overeenstemt met de bepalingen die zijn opgenomen in deze overeenkomst.

Wanneer tussen een werkgever en een derde een voormelde geschreven overeenkomst wordt afgesloten, moet de derde onmiddellijk de ondernemingsraad van zijn onderneming op de hoogte brengen van het bestaan van de overeenkomst. De leden van de ondernemingsraad hebben de mogelijkheid om een afschrift te vragen van het gedeelte van de overeenkomst waarin de instructies zijn bepaald die door de derde aan de werknemers van de werkgever kunnen worden gegeven. Indien de werkgever een dergelijk afschrift weigert te geven, wordt de geschreven overeenkomst geacht niet te bestaan. Bij ontstentenis van een ondernemingsraad, moet het comité voor preventie en bescherming op het werkt, en bij gebrek hieraan, de leden van de vakbondsafvaardiging worden ingelicht.

De nieuwe bepalingen traden in werking op 10 januari 2013.

Bronnen: Programmawet (1) van 27 december 2012, B.S. 31 december 2012.

Auteur: Peggy Criel

11/03/2013