RSZ: nieuwe raming van het voordeel van de huisvesting voor conciërges

Auteur: Anne Ghysels
Datum:

Vanaf het 1e kwartaal 2017 volgt de RSZ de fiscus voor wat betreft de raming van het voordeel dat wordt gevormd door de kosteloze terbeschikkingstelling door de werkgever van huisvesting aan de conciërge.

Niet zelden kent een werkgever aan de conciërge die hij tewerkstelt een voordeel toe onder de vorm van de kosteloze terbeschikkingstelling van een woonst.

Tot nu werd dit voordeel op sociaal en fiscaal vlak verschillend geraamd.

Nieuwe sociale raming van het voordeel

Het voordeel dat bestaat uit de kosteloze terbeschikkingstelling van een gebouw wordt op sociaal vlak forfaitair geraamd op de huurwaarde van het goed.

Vanaf het 1e kwartaal 2017 moet het voordeel, wanneer het wordt toegekend aan een conciërge, voor de berekening van de RSZ-bijdragen worden geraamd volgens de fiscale regels: de courante waarde wordt forfaitair bepaald op basis van het kadastraal inkomen en de raming gebeurt op jaarbasis als volgt:

  • Wanneer een huis of een appartement kosteloos ter beschikking wordt gesteld van een conciërge door een natuurlijk persoon wordt het voordeel forfaitair geraamd op basis van 100/60 of 100/90 (naargelang het gaat om een bebouwd of niet-bebouwd onroerend goed) van het geïndexeerde kadastraal inkomen van het onroerend goed;
  • Indien het voordeel wordt toegekend door een werkgever als rechtspersoon, dan moet het als volgt worden bepaald:
    • Wanneer het (niet-geïndexeerde) kadastraal inkomen van het onroerend goed lager is dan of gelijk is aan € 745, dan wordt de waarde geraamd op 100/60 van het geïndexeerde kadastraal inkomen, vermenigvuldigd met 1,25;
    • Wanneer het (niet-geïndexeerde) kadastraal inkomen van het onroerend goed groter is dan € 745, dan wordt de waarde geraamd op 100/60 van het geïndexeerde kadastraal inkomen, vermenigvuldigd met 3,8.
  • Bij een gemeubelde woning wordt het voordeel met 2/3 verhoogd.
  • De indexeringscoëfficiënt van het kadastraal inkomen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 518 van het WIB 1992 en wordt jaarlijks aangepast. Voor het inkomstenjaar 2017 is de indexeringscoëfficiënt gelijk aan 1,70.
  • Wanneer evenwel het betrekken van een onroerend goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de conciërge, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, dan houdt de RSZ bij de vaststelling van het voordeel slechts rekening met het kadastraal inkomen van het deel van het onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de conciërge beantwoordt.  

Wat verstaan we onder ‘conciërge’?

Voor de definitie van conciërge verwijst de RSZ naar artikel 6, § 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers die bepaalt:

  • dat een gedeelte van het loon in natura mag worden uitbetaald, wanneer deze wijze van betaling gebruikelijk of wenselijk is wegens de aard van de betrokken bedrijfstak of het betrokken beroep; 
  • dat dit gedeelte van het loon schriftelijk wordt geschat en ter kennis van de werknemer wordt gebracht bij zijn indienstneming en
  • dat, wanneer de werkgever een huis of appartement ter beschikking stelt van de werknemer, dit gedeelte van het loon niet groter mag zijn dan 40% van het totale brutoloon, of zelfs 50% voor huispersoneel (1°), huisbewaarders (2°) en leerlingen of stagiairs (3°), op voorwaarde dat deze categorieën van werknemers volledig bij deze werkgever gehuisvest en gevoed worden.

Het betreft dus niet alleen de conciërges die behoren tot het paritair comité nr. 323 voor het beheer van gebouwen, de vastgoedmakelaars en de dienstboden. 

Bron: RSZ - Administratieve instructies voor de werkgevers K1/2017.

Auteur: Anne Ghysels

07/04/2017