Pleegouderverlof: voortaan gelijkgesteld voor vakantie

Auteur: Catherine Legardien (Legal expert)
Datum:

Het pleegouderverlof is voortaan gelijkgesteld voor het recht op jaarlijkse vakantie. Deze gelijkstelling is in werking getreden op 1 januari 2020.

Pleegouderverlof: waarover gaat het?

Sinds 1 januari 2019 biedt pleegouderverlof werknemers de mogelijkheid om de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst te schorsen in geval van langdurige pleegzorg voor een minderjarig kind in hun gezin.

De duur van dit verlof is maximaal 6 weken per ouder. Daarnaast is een geleidelijke verlenging van de duur gepland, volgens onderstaande "agenda":

  • 1 week vanaf 1 januari 2019;
  • 2 weken vanaf 1 januari 2021;
  • 3 weken vanaf 1 januari 2023;
  • 4 weken vanaf 1 januari 2025;
  • 5 weken vanaf 1 januari 2027.

Indien het pleeggezin bestaat uit 2 personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken onderling tussen hen verdeeld.

Tijdens het pleegouderverlof behoudt de werknemer gedurende de eerste 3 dagen van het verlof het recht op zijn normale loon. Voor de volgende dagen ontvangt hij een uitkering van het ziekenfonds.

Voor meer informatie over het pleegouderverlof, zie onze Infoflashes van 22 januari 2019 en 17 april 2019.

Gelijkstelling voor het recht op jaarlijkse vakantie

Ter herinnering, om het recht op jaarlijkse vakantie (duur en vakantiegeld) voor een vakantiejaar (bv. 2020) te bepalen, is het principe als volgt: er moet niet alleen rekening worden gehouden met de normale effectieve werkdagen, maar ook met de dagen arbeidsonderbreking die gelijkgesteld worden met effectieve werkdagen (arbeidsongeschiktheid, moederschapsverlof, enz.) tijdens het vakantiedienstjaar (bv. 2019).

Voortaan worden ook de dagen pleegouderverlof gelijkgesteld met effectieve werkdagen voor de duur en de berekening van het vakantiegeld van arbeiders en bedienden.

Deze gelijkstelling treedt in werking op 1 januari 2020 en geldt voor het eerst voor het vakantiejaar 2020, vakantiedienstjaar 2019.

Bron: koninklijk besluit van 20 december 2019 tot wijziging van artikels 16, 18, 20, 21, 41, 43 en 68 van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, B.S. 17 januari 2020.