Overuren, tijdregistratie en arbeidsreglement

Auteur: Brigitte Dendooven
Datum:

Het arrest van het Arbeidshof van Bergen van 2 februari 2015 geeft ons de gelegenheid om het te hebben over de betaling van het loon dat verschuldigd is voor overschrijdingen van het arbeidsrooster die blijken uit de lijst met tijdregistraties van de werknemer.

In het geschil dat aan het Hof werd voorgelegd stonden een handelsvennootschap en een bediende (een kok) tegenover elkaar. De kok die deeltijds werkte en zijn rechtmatig ontslag had gegeven riep verschillende onregelmatigheden in die zijn werkgever gedurende zijn overeenkomst zou hebben begaan (weigering om tijd in de vestiaire te bezoldigen, maandelijkse inhouding op het loon in geval van laattijdige aankomst, prestaties buiten het arbeidsrooster, enz.).

De bediende legde klacht neer bij de Inspectie van de Sociale Wetten en wendde zich tot de arbeidsrechtbank.

De werkgever betwistte de beschuldigingen van zijn ex-bediende en haalde aan dat die nooit het minste verwijt heeft gemaakt jegens hem maar dat hij daarentegen verschillende verwittigingen heeft gekregen. De bediende was een andere mening toegedaan en vorderde, onder andere, de betaling van de gepresteerde uren die het arbeidsrooster overschreden maar niet in rekening werden gebracht.

De rechtbank gaf hem gelijk en veroordeelde de werkgever tot de betaling van de som van € 1.331,04 voor de genoemde uren (over een periode van 5 jaar) plus het daaraan verbonden vakantiegeld.

De werkgever tekende hiertegen beroep aan. Hij verweet de rechtbank dat ze gevolg had gegeven aan de eis van de bediende terwijl die nooit het schriftelijk akkoord had gevraagd of gekregen om overuren te presteren, zoals vereist was door het arbeidsreglement.

De werkgever voerde aan dat, wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat het loon voor de overuren verschuldigd was, men zich moet baseren op de datum voorzien in artikel 9bis, § 1, lid 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon voor het bepalen van de datum van opeisbaarheid van de gevorderde sommen.

Het Arbeidshof van Bergen verwierp de eis van de werkgever.

Laten we kijken naar de redenering.

De principes

Het loon vormt de tegenwaarde voor arbeid die wordt verricht krachtens een arbeidsovereenkomst en de werknemer heeft recht op de betaling door de werkgever van het loon dat hem verschuldigd is (art. 3bis van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon).

Het overwerk rechtvaardigt de betaling van een gewoon loon dat op hetzelfde ogenblik moet worden betaald en op dezelfde manier moet worden bepaald als het loon dat verschuldigd is voor de loonperiode waarin de inhaalrust wordt toegekend (art. 9bis, § 1, lid 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon). Dat is wat men noemt de uitgestelde betaling van het normale loon (aan 100 %) voor de uren waarmee de wettelijke of conventionele grenzen van de wekelijkse arbeidsduur werden overschreden

Het spreekt evenwel voor zich dat wanneer de werkgever deze overuren die de werknemer inroept betwist, hij zelf het bewijs zal moeten leveren van zijn beweringen krachtens de gezamenlijke toepassing van de artikels 870 en 1315 van het Gerechtelijk Wetboek.

De werknemer moet ook aantonen dat de werkgever zijn akkoord heeft gegeven voor het presteren van deze uren. Dit akkoord komt voort uit een aanvraag van hemzelf of een goedkeuring (zelfs stilzwijgend) in zijn hoofde.    

De dagelijkse prestatiestaten zijn inroepbaar tegen de werknemer voor zover hij ze heeft ondertekend.

De omstandigheid volgens dewelke de werknemer heeft afgezien van het vorderen van zijn loon voor zijn arbeidsprestaties tijdens de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst heeft geen enkele invloed op zijn recht op dat loon: afzien van een recht wordt immers niet vermoed (en niet het verval van een recht) en kan enkel worden afgeleid uit feiten die niet anders kunnen worden geïnterpreteerd.                  

De beslissing van het Hof

Uit de tijdregistratiebladen blijkt dat overuren niet werden betaald terwijl ze wel door de betreffende bediende werden gepresteerd; deze bladen zijn inroepbaar tegen de werkgever aangezien ze een intern document vormen op basis waarvan inhoudingen worden doorgevoerd op het loon in geval van laattijdige aankomst op de arbeidsplaats en vroegtijdig vertrek.

De werkgever beweert dat de werknemers volgens het arbeidsreglement het akkoord van de werkgever moesten bekomen om overuren te presteren en de betaling ervan te bekomen.

Volgens de normenhiërarchie uit artikel 51 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve overeenkomsten en de paritaire comités mag een arbeidsreglement niet ingaan tegen een hogere norm, in dit geval de voornoemde wet van 12 april 1965 die bepaalt dat de werknemer recht heeft op de betaling door de werkgever van het loon dat verschuldigd is voor de verrichte arbeid.

De werkgever kan niet beweren dat deze vraag niet gerechtvaardigd is: door de tijdregistratiebladen met de door de bediende gepresteerde uren te vergelijken met zijn loonafrekeningen kan immers worden vastgesteld dat alle uren op de tijdregistratiebladen niet werden bezoldigd.

Deze uren werden gepresteerd met goedkeuring, op z'n minst stilzwijgend, van de werkgever: deze laatste had de overuren van de bediende zeker veroordeeld indien hij ze niet stilzwijgend had toegestaan of er geen formeel bezwaar had tegen aangetekend, te meer omdat hij deze tijdregistratiebladen heeft gebruikt om inhoudingen wegens laattijdige aankomst of vroegtijdig vertrek door te voeren.

De werkgever wist dus perfect dat er overuren werden gepresteerd zonder dat hij daartegen is ingegaan.

De overuren die werden aangegeven op de loonafrekeningen moeten dus worden betaald.

We herhalen dat de werkgever aanvoerde dat, wanneer het Hof van oordeel zou zijn dat het loon voor de overuren verschuldigd was, men zich moet baseren op de datum voorzien in artikel 9bis, § 1, lid 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon voor het bepalen van de datum van opeisbaarheid van de gevorderde sommen.[1]

Dit argument wordt verworpen door het Arbeidshof: de hypothese die door deze wettelijke bepaling wordt bedoeld is vreemd aan de situatie die aan het Hof wordt voorgelegd aangezien het de hypothese betreft van een inhaalrust die gedurende meer dan 6 maanden niet wordt toegekend wegens de schorsing van de uitvoering van de overeenkomst.

In dit concrete geval voorziet de wet dat het verschuldigde resterende loon moest betaald worden na afloop van deze 6 maanden en dat het op dezelfde manier moest worden bepaald als het loon dat op dat ogenblik verschuldigd was.

De bediende is dus in rechte om aanspraak te maken op het voordeel van de wettelijke interesten die verschuldigd zijn op de brutosom van € 1.331,04 vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde sommen overeenkomstig artikel 10 van de wet van 12 april 1965.

Het Hof bevestigt ook het recht op de betaling van het vertrekvakantiegeld op de verschuldigde € 1.331,04.

Besluit: het is aan de werknemer om te bewijzen dat hij overuren heeft gepresteerd en dat deze uren werden gepresteerd met het (op zijn minst stilzwijgende) akkoord van de werkgever.

De tijdregistratiebladen die de werkgever aanvaard en waarop hij zich heeft gebaseerd om inhoudingen door te voeren op het loon hebben voorrang op de bepalingen van het arbeidsreglement die zeggen dat enkel overuren mogen worden gepresteerd indien de werkgever daarmee akkoord gaat.

Bron: Arbeidshof Bergen van 2 februari 2015, Rolnr. 2013 – AM - 405  

[1] Dit artikel verduidelijkt dat wanneer de inhaalrust niet werd toegekend krachtens artikel 26bis, § 3, lid 4 van de arbeidswet van 16 maart 1971 het verschuldigde resterende loon moet worden betaald op het einde van de termijn van 6 maanden voorzien door dit lid en moet worden bepaald op hetzelfde manier als het loon dat op dat ogenblik verschuldigd was geweest.

Auteur: Brigitte Dendooven

17/07/2015