Ouderschapsverlof – Berekening van een beschermingsvergoeding volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie

Auteur: Francis Verbrugge
Datum:

Op 27 februari 2014 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak gedaan over de berekeningswijze van de beschermingsvergoeding die verschuldigd is aan een werknemer die tijdens een periode van deeltijds ouderschapsverlof ontslagen is zonder dringende of voldoende reden.

De berekening van de ontslagvergoeding in de loop van een periode van deeltijds ouderschapsverlof leidde vroeger tot heel wat controverse in de rechtspraak.

Ons Hof van Cassatie en daarna het Grondwettelijk Hof waren allebei van oordeel dat de opzeggingsvergoeding in zo'n geval berekend moest worden op basis van het loon dat geldt op het tijdstip van het ontslag, d.w.z. op basis van het lopend loon voor deeltijdse arbeidsprestaties.

Naar aanleiding van een beroep dat werd ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dit laatste daarentegen dat de berekening van de ontslagvergoeding in het kader van een ouderschapsverlof onder de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties, moest gebeuren op basis van het loon waarop de werknemer recht zou hebben gehad als hij zijn arbeidsprestaties niet had verminderd, d.w.z., in principe, op basis van zijn voltijdse loon (E.H.V.J., 22 oktober 2009, Ch. Meerts tegen Proost NV, Zaak C-116/08, J.T.T. 2010, p. 52).

Om te voldoen aan de Europese rechtspraak wijzigde de wetgever in allerijl § 3 van artikel 105 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.

Voortaan, en meer bepaald vanaf 10 januari 2010, wanneer de overeenkomst tijdens een periode van verminderde arbeidsprestaties in het kader van een ouderschapsverlof wordt beëindigd met betaling van een ontslagvergoeding, dan moet de opzeggingsvergoeding berekend worden op basis van het loon waarop de werknemer recht zou hebben gehad indien hij zijn prestaties niet had verminderd, d.w.z., in principe, op basis van zijn voltijdse loon.

Volgens sommige auteurs kon uit het arrest Meerts van het E.H.V.J. (zie hierboven) niet worden afgeleid dat de beschermingsvergoeding van 6 maanden loon die verschuldigd is aan de werknemer in deeltijds ouderschapsverlof, ook berekend moest worden op basis van het loon dat gold vóór het opnemen van het deeltijds ouderschapsverlof.

In het kader van een geschil tussen een Belgische onderneming en een werkneemster die onregelmatig ontslagen werd gedurende haar ouderschapsverlof, diende de arbeidsrechtbank van Antwerpen daarom in 2012 bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een verzoek om een prejudiciële beslissing in over de berekening van de forfaitaire beschermingsvergoeding die verschuldigd is wegens een onwettig ontslag tijdens een deeltijds ouderschapsverlof.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zopas een uitspraak gedaan. Het is van mening dat de forfaitaire beschermingsvergoeding waarin het Belgisch recht voorziet (in dit geval 6 maanden loon) en die verschuldigd is aan een werknemer in deeltijds ouderschapsverlof, ook in geval van eenzijdige beëindiging door de werkgever zonder dringende of voldoende reden bepaald moet worden op basis van het loon voor voltijdse arbeidsprestaties van die werknemer (E.H.V.J., arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium NV tegen Sophie Rogiers, Zaak C-588/12, http://curia.europa.eu/).

De beschermingsvergoeding moet dus zonder enige twijfel op dezelfde manier berekend worden als de gewone ontslagvergoeding: op basis van het loon dat gold vóór het opnemen van het deeltijds ouderschapsverlof.

Bron: E.H.V.J., arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium NV tegen Sophie Rogiers, Zaak C-588/12, http://curia.europa.eu/

Auteur: Francis Verbrugge

05/03/2014