Nieuw artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon

Auteur: Brigitte Dendooven
Datum:

De inhoudingen die een werkgever kan verrichten op het loon van zijn werknemers zijn beperkt. Alleen de inhoudingen vermeld in artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon zijn toegestaan.

Elke andere inhouding is niet wettelijk en wordt bestraft met strafrechtelijke sancties (artikel 163, 1°, a) van het Sociaal Strafwetboek - sanctie van niveau 2).

De wet van 15 januari 2018 houdende diverse bepalingen inzake werk heeft de lijst van toegestane inhoudingen aangepast / uitgebreid. Eenzijdige inhoudingen zouden wettelijk kunnen worden toegepast voor bijdragen ten laste van de werknemer voor voorzieningen die de werkgever ter beschikking wil stellen.

Dergelijke inhouding is evenwel slechts mogelijk voor de ‘voorzieningen’ zoals opgesomd in artikel 6 van de Loonbeschermingswet, met dien verstande dat de voorzieningen bedoeld in de nieuwe regelgeving, zélf geen voordeel in natura uitmaken in de zin van bedoeld artikel 6.

Met andere woorden:

  • de voorzieningen die aanleiding kunnen geven tot een inhouding zijn huisvesting, gas, elektriciteit, water, verwarming en brandstof, het genot van een grond, voedsel gebruikt op de plaats waar de arbeid wordt verricht, gereedschap, dienst- of werkkleding en het onderhoud ervan, voor zover de werkgever krachtens een wets- of reglementsbepaling niet verplicht is die te verstrekken of te onderhouden, het voor de arbeid nodige materieel of materiaal dat ten laste van de werknemer is overeenkomstig zijn dienstbetrekking of het gebruik;
  • de werkgever moet aan zijn werknemer een voorziening aanbieden bovenop zijn loon, dus zonder deze voorziening te beschouwen als een voordeel in natura in de zin van artikel 6 van de wet van 12 april 1965.

Deze nieuwe bepaling (die in werking is getreden op 15 februari 2018) creëert alleen een kader. De beslissing wordt uiteindelijk genomen door de paritaire comités.

Er is immers voorzien dat het aan de Koning toekomt, op voorstel van het bevoegde paritair comité, om:

  • de mogelijkheid tot uitbreiding van de lijst met toegelaten inhoudingen met bijdragen van de werknemers voor verkregen voorzieningen, te concretiseren,
  • en de toepassingsmodaliteiten te bepalen.

In dit kader dient een Koninklijk Besluit, op basis van het voorstel van het paritair comité, voor te schrijven hoe de waarde van de voorziening wordt bepaald, waarbij gewaakt moet worden over de consistentie met de waardering zoals voorgeschreven in het kader van artikel 6 van de Loonbeschermingswet. Dit Koninklijk Besluit bepaalt eveneens op objectieve wijze en overeenkomstig het voorstel van het paritair comité, hoe de bijdrage wordt berekend die de werkgever uit hoofde van de voorziening mag inhouden.

In het kader van een tewerkstelling als seizoenarbeider zal deze nieuwe mogelijkheid trouwens alleen van toepassing kunnen zijn op werknemers die burger zijn van de Europese Unie. Voor onderdanen (seizoenarbeiders) van derde landen is het verboden dat de huur automatisch in mindering wordt gebracht op het nettoloon van de seizoenarbeider.

Bronnen: artikel 6 en 7 van de wet van 15 januari 2018 houdende diverse bepalingen inzake werk, B.S., 5 februari 2018.

Auteur: Brigitte Dendooven

21/02/2018