Nieuw in 2019: vlaanderen voert een sanctie in het kader van outplacement in (45 jaar en +)

Auteur: Catherine Legardien
Datum:

Sinds 1 januari 2019 beschikt Vlaanderen over zijn eigen sanctieregels voor het geval de werkgever zijn verplichtingen in het kader van de bijzondere regeling van outplacement die van toepassing is bij ontslag van een werknemer van 45 jaar en ouder niet nakomt.

Deze nieuwe reglementering kadert in de 6e staatshervorming waarin de gewesten de bevoegdheid kregen om regels over deze materie vast te leggen[1]. Ze is van toepassing op voorwaarde dat de ontslagen werknemer, tegenover wie de werkgever zijn verplichtingen inzake outplacement niet heeft nageleefd, is tewerkgesteld in een in het Vlaamse Gewest gevestigde vestigingseenheid.

VERPLICHTING VAN DE WERKGEVER: OUTPLACEMENT AANBIEDEN

De werkgever die een werknemer ontslaat die op het ogenblik van ontslag ten minste 45 jaar is, moet hem outplacementbegeleiding aanbieden, op voorwaarde dat de werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • niet ontslagen zijn wegens een dringende reden;
  • geen recht hebben op een opzeggingstermijn (of een overeenstemmende vergoeding) van minstens 30 weken[2];
  • minstens één jaar ononderbroken dienstanciënniteit bij de werkgever hebben op het ogenblik van ontslag.

De werkgever moet dit outplacementaanbod schriftelijk doen en dit binnen 15 dagen na de effectieve beëindiging van de overeenkomst.

WAT INDIEN DE WERKGEVER GEEN OUTPLACEMENT AANBIEDT?

Indien de werkgever binnen 15 dagen geen outplacement aanbiedt, moet de werknemer hem binnen een maand (of 9 maanden in geval van opzegging zonder opzeggingstermijn) na het verstrijken van deze termijn een schriftelijke ingebrekestelling sturen.

Indien de werkgever niet reageert op deze ingebrekestelling, moet de werknemer, tewerkgesteld in een in het Vlaamse Gewest gevestigde vestigingseenheid, de VDAB op de hoogte brengen van zijn wens om outplacementbegeleiding te genieten op kosten van de Vlaamse overheid.

OUTPLACEMENT TEN LASTE VAN DE VDAB: HOE GAAT DAT IN ZIJN WERK?

Procedure na te leven door de werknemer

De werknemer moet zijn verzoek binnen de 12 maanden na de ingebrekestelling van de werkgever naar de VDAB sturen.

Om aan te tonen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor outplacement, moet hij bovendien de volgende documenten bij zijn aanvraag voegen:

  • een kopie van de ontslagbrief die hij ontvangen heeft,
  • het bewijs dat hij zijn werkgever binnen de geldige termijn in gebreke heeft gesteld.

Wat doet de VDAB?

De VDAB controleert of de werknemer aan de voorwaarden voldoet om outplacement te genieten. Vervolgens wordt de werkgever verzocht om binnen een maand na het verzoek van de werknemer de redenen te motiveren waarom de werknemer niet in aanmerking kwam voor outplacement. De werkgever heeft een maand de tijd om te antwoorden op de aanvraag van de VDAB.

Indien de werkgever niet binnen een maand voldoende motivering geeft of niet binnen een maand antwoordt, dient de VDAB het dossier, samen met de eventuele motivering van de werkgever, in bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaamse Ministerie van Werk en Sociale Economie (hierna "Departement" genoemd).

Het Departement onderzoekt het dossier, beslist erover en deelt zijn beslissing mee aan de werknemer, de werkgever en de VDAB binnen een maand na ontvangst van het dossier.

Indien het departement beslist dat de aanvraag van de werknemer gegrond is, biedt de VDAB de werknemer outplacement aan.

SANCTIE TEN LASTE VAN DE WERKGEVER

De werkgever die zijn verplichtingen inzake outplacement niet heeft nageleefd, is verplicht een bijdrage te betalen aan het Vlaamse Gewest. Het bedrag van deze bijdrage is vastgelegd op € 1.800 (€ 1.500 + € 300 om de administratieve en financiële kosten te dekken).

Bronnen: decreet van 9 februari 2018 tot wijziging van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers en van het Gerechtelijk Wetboek, wat betreft het opleggen van sancties aan werkgevers die hun verplichtingen inzake de bijzondere regeling van outplacement voor de werknemers van minstens 45 jaar niet naleven, M.B. 27 februari 2018; besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2018 tot bepaling van het bedrag van en de procedure voor het opleggen van de bijdrage, vermeld in artikel 15 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, B.S. 22 november 2018.

 

[1] Tot 31 december 2018 was de federale reglementering nog steeds van toepassing in het Vlaams Gewest. De werknemer, tegenover wie de werkgever zijn outplacementverplichtingen niet had nageleefd, kon outplacement genieten ten laste van de RVA. De werkgever was op zijn beurt een bijdrage van € 1.800 verschuldigd, die door de RSZ werd geïnd. Ter herinnering: sinds 1 januari 2016 hebben ook het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hun eigen regels op dit gebied.

[2] De werknemer die ontslagen werd met een opzeggingstermijn (of een overeenstemmende vergoeding) van minstens 30 weken heeft recht op outplacementbegeleiding in het kader van de algemene regeling. Momenteel zijn er geen sancties voorzien indien de werkgever zijn verplichtingen om outplacement aan te beiden in het kader van deze algemene regeling aan te bieden, niet naleeft.