Jaarlijkse vakantie – verschillende wijzigingen in het vooruitzicht

Auteur: Els Poelman
Datum:

De Nationale Arbeidsraad heeft een advies (nr 1.853) gepubliceerd in verschillende dossiers jaarlijkse vakantie. Een aantal daarvan zullen in de nabije toekomst in reglementering worden omgezet.

Tijd dus voor een eerste overzicht.

Volgens de Europese Arbeidstijdrichtlijn moeten alle werknemers jaarlijks vier weken rust nemen.

In die context kennen we sinds 2012 een systeem van aanvullende vakantie (de zgn. “Europese vakantie”). Werknemers die het werk aanvatten of hervatten kunnen tijdens de eerste jaren van activiteit hun (onvolledige) wettelijke vakantie combineren met aanvullende vakantie, tot een rustperiode van vier weken.

Eén categorie viel tot nog toe buiten het toepassingsgebied, met name deeltijdse werknemers die hun arbeidstijd verhogen of overstappen naar een voltijds regime. Ze kunnen in het jaar van de overstap en het volgende jaar geen vier weken wettelijke vakantie nemen in hun actueel (hoger) arbeidsregime, omdat de vakantieduur is opgebouwd op basis van hun vroeger (lager) arbeidsregime.

Een ontwerp van Koninklijk Besluit geeft ook deze groep recht op aanvullende vakantie, zodat er altijd recht is op vier weken afwezigheid  in het huidige regime. Er komt geen absoluut recht voor iedereen, want de sociale partners willen de impact van kleine wijzigingen beperken. Waarschijnlijk zal aanvullende vakantie gekoppeld worden aan de voorwaarde dat het (deeltijds) arbeidsregime voltijds wordt of verhoogt met minstens 20% van de voltijdse arbeidsduur.

In het ontwerp van Koninklijk Besluit wordt nog steeds rekening gehouden met de initieel voorziene ingangsdatum, nl. 1 januari 2013 (!).

De logica die geldt voor deeltijdse werknemers, wordt ook toegepast op werknemers die hun normaal arbeidsregime hervatten na een periode van deeltijds ouderschapsverlof. Ook zij krijgen recht op aanvullende vakantie in de twee jaren die volgen op hun hervatting, zodat ze altijd aan vier weken vakantie komen in hun huidig regime. Toepassing en ingangsdatum zullen analoog zijn aan deze voor deeltijdse werknemers.

Sinds 2007 wordt het vakantiegeld  van bedienden die hun arbeidsduur verminderen, in december (van het vakantiedienstjaar) vooruitbetaald en als voorschot verrekend op het ogenblik van de vakantie (in het vakantiejaar).

Een ontwerp van Koninklijk Besluit schaft die maatregel af, en herstelt de vroegere logica (van voor 2007):

  1. het vakantiegeld voor de werkelijke vakantieperiodes wordt berekend aan het (lagere) arbeidsregime van het vakantiejaar;
  2. aan het einde van het vakantiejaar wordt het vakantiegeld herrekend op basis van het (hogere) arbeidsregime van het vakantiedienstjaar (het vorige jaar);
  3. het verschil tussen (1) en (2) geeft een supplement dat wordt uitbetaald in december van het vakantiejaar.

De exacte timing en berekeningswijze zullen blijken uit de redactie van de definitieve teksten.

De wijziging zou ingaan vanaf 2014, zodat de prefinanciering van december 2013 zou vervallen.

Voorbeeld

Een bediende gaat van 38  naar 32 uren op 1 september 2013 en werkt in 2014 verder 32 uren.

In 2014 wordt vakantie betaald op basis 32 uren

Het supplement dat voortvloeit uit 8 maanden tewerkstelling aan 38 uren in 2013,  wordt uitbetaald in december 2014.

Samen met de “grote” dossiers waarvan hierboven sprake, zal een reeks kleinere aanpassingen worden doorgevoerd:

  • gelijkstelling borstvoedingspauzes;
  • gelijkstelling aanvullende vakantie;
  • gelijkstelling economische werkloosheid bedienden;
  • uitbreiding van het recht op halve dagen, zodat eenzelfde dag gemakkelijk opgevuld raakt met een combinatie van wettelijke en aanvullende vakantie

Een arrest van het Europees Hof van Justitie van juni 2012 bepaalt dat arbeidsongeschiktheid tijdens een vakantieperiode het recht op vakantie doet opschuiven naar een latere datum.

Die logica raakt niet gemakkelijk ingepast in de Belgische wetgeving. Het principe dat de eerste schorsing voorrang heeft, zou moeten sneuvelen. Er dreigt een grote impact op arbeidsorganisatie en loonkost. Bovendien is er een probleem van bewijslast en een raakvlak met gevoelige materie zoals privacywetgeving, medische deontologie enz…

In de context hebben de sociale partners zich geëngageerd om een werkbaar voorstel te formuleren.

Dit is het enige dossier waarin de  Minister van Werk nog geen initiatief heeft genomen.

Bron: advies NAR nr. 1.853.

Auteur: Els Poelman

11/06/2013