Jaarlijkse vakantie (2) – Hoe de vakantieperiodes bepalen?

Auteur: Catherine Legardien
Datum:

De vakantiedagen in de onderneming kunnen worden bepaald hetzij op collectieve wijze (voor het voltallige personeel) in geval van sluiting van de onderneming, hetzij op individuele wijze via een akkoord tussen de werkgever en elke werknemer.

In onze eerste infoflash over de jaarlijkse vakantie hebben we de regels herhaald over de toekenningsmodaliteiten voor vakantiedagen. We zullen het nu hebben over de procedure om de vakantieperiodes te bepalen.

COLLECTIEVE SLUITING

Behalve in het geval dat een bijzondere beslissing wordt genomen in het paritair comité moet de bepaling van de data van collectieve sluiting resulteren uit een beslissing van de ondernemingsraad. Bij gebrek aan een ondernemingsraad of een beslissing ervan zullen de periodes van collectieve sluiting bepaald worden in een akkoord tussen, enerzijds, de werkgever en, anderzijds, de vakbondsafvaardiging of, bij gebrek hieraan, de werknemers.

Het akkoord kan desgevallend ook betrekking hebben op het gebruik van het saldo vakantiedagen dat opgenomen zou zijn geweest tijdens de sluiting.

De data van collectieve sluiting van de onderneming moeten verplicht worden vermeld in het arbeidsreglement. Van zodra een akkoord wordt bereikt over de bepaling van de data van collectieve vakantie moet de werkgever dit aanplakken, een kopie versturen aan de werknemers en een exemplaar overmaken aan de directie voor het toezicht op de sociale wetten die bevoegd is voor de onderneming.

Eenmaal de vakantie is vastgelegd voor het voltallige personeel kan de werknemer niet meer voor een andere vakantieperiode kiezen.

=>Voor de werknemers van de onderneming die geen recht (meer) hebben op betaalde vakantie of op een voldoende aantal vakantiedagen om de volledige periode van collectieve sluiting te overbruggen, verwijzen we naar de volgende infoflash over de jaarlijkse vakantie.

INDIVIDUEEL AKKOORD

Bij gebrek aan een collectief akkoord worden de vakantiedagen bepaald in een individueel akkoord tussen de werkgever en de werknemer. Indien de werkgever de noodwendigheden van de dienstverlening in de onderneming inroept om een vakantieperiode te weigeren, moet hij in ieder geval de toekenningsregels respecteren die zijn voorzien door de reglementering (zie hiervoor de eerste infoflash over de jaarlijkse vakantie). Noch de werkgever, noch de werknemer mag dus eenzijdig de vakantieperiode opleggen.

Om elke betwisting over de bepaling van de vakantiedagen te vermijden, wordt ten zeerste aangeraden om in het arbeidsreglement dat in de onderneming van kracht is de procedure op te nemen die de werknemer moet volgen om een vakantieperiode aan te vragen (b.v. aanvraag schriftelijk en op voorhand indienen binnen een redelijke termijn bepaald in het arbeidsreglement). De werkgever zorgt er ook voor dat hij zijn (non-)akkoord met de gevraagde vakantiedagen vastlegt in een geschrift.

Indien het non-akkoord blijft voortduren kan een beroep worden gedaan op de Sociale Inspectie of zelfs op de arbeidsrechtbank die de zaak zal beslechten (snelle procedure).

Bronnen: Koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, B.S. 11 augustus 1967; F. Verbrugge, Gids voor Sociale Reglementering in Ondernemingen, Sociaal Secretariaat voor Ondernemingen Partena, Kluwer Uitgevers, 2018.