Het sociaal statuut van kunstenaars vanaf 2014

Auteur: Els Poelman
Datum:

Vanaf 1 januari 2014 wordt de bijdrageregeling van kunstenaars op enkele punten grondig gewijzigd -  tijd voor een eerste overzicht. 

Kwalificatie als kunstenaar

Vanaf 1 januari 2014 wordt de artistieke aard van de prestaties aangetoond door middel van een visum, afgeleverd door de Commissie Kunstenaars.  De precieze impact van deze maatregel is voorlopig onduidelijk -  we wachten nog op de uitvoeringsbesluiten met de details inzake beoordelingscriteria, procedure en werking van de Commissie.

De “kleine vergoedingsregeling”

Dzez regeling bestaat sinds 2004 en wijzigt niet.

Kunstenaars die voor hun artistieke prestaties slechts een geringe vergoeding ontvangen zijn niet onderworpen aan de sociale zekerheid.  De vergoeding mag niet hoger liggen dan € 122,21 per dag en € 2.444,21 per jaar (bedragen 2014). Er zijn specifieke regels inzake maximum aantal dagen, prestaties voor meerdere opdrachtgevers, combinatie met niet-artistieke activiteiten ..…., die alle onverminderd van toepassing blijven.

De bijdragevermindering

Voor onderworpen inkomsten van kunstenaars was er tot einde 2013 een specifieke bijdragevermindering, niet cumuleerbaar met de structurele vermindering.

Vanaf 1 juli 2014 wordt het budget voor de lastenverlaging van kunstenaars overgeheveld naar de gewesten. Elk gewest zal eigen accenten kunnen leggen via een eigen (hogere of lagere) bijdragevermindering.  Omdat alle geregionaliseerde verminderingen moeten starten met een analoge toepassing worden, reeds vanaf 1 januari 2014, specifieke verminderingen omgevormd naar klassieke doelgroepverminderingen.  Zo ook de vermindering voor kunstenaars, die vanaf 1 januari 2014 wordt omgevormd  tot “doelgroepvermindering kunstenaars”.

Om budgettair neutraal te blijven zijn noodgedwongen enkele modaliteiten van de vroegere vermindering gekopieerd. Bijgevolg krijgen kunstenaars een “klassieke” doelgroepvermindering met een reeks uitzonderingen:

modaliteit

vanaf 1 januari 2014

recht op de vermindering

specifiek:

  • het refertekwartaalloon moet minstens gelijk zijn aan het gemiddeld minimum maandinkomen (GMMI) van de 1e maand van het kwartaal
  • de prestatiebreuk (µ) is niet relevant – de gewone ondergrens van 27,50% geldt niet

forfaitair kwartaalbedrag

€ 726,50

pro-rata omrekening bij onvolledige pretaties

zoals voor elke doelgroepvermindering

beperking van het verminderingsbedrag

  • zoals voor elke doelgroepvermindering beperking tot bedrag positieve werkgeversbijdrage
  • specifiek: (tweede) beperking tot € 517,00 per kwartaal

cumul met andere verminderingen

zoals elke doelgroepvermindering cumuleerbaar met de structurele vermindering (voor de prestatiebreuk van de structurele vermindering geldt evenmin de ondergrens van 27,50%)

Bronnen:  Programmawet 26 december 2013, B.S. 31 december 2013 (visumplicht); Info RSZ (doelgroepvermindering).

Auteur: Els Poelman

21/01/2014