Eindelijk groen licht voor de fiscale lastenverlaging bij werken in onroerende staat

Auteur: Peggy Criel
Datum:

Heeft u werknemers die werken in onroerende staat verrichten op werven? Dan kunt u mogelijks vrijgesteld worden van het doorstorten van een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing voor deze werknemers, en zo aanzienlijk besparen op uw loonkost. De werknemers moeten dan wel werken in ploegen. De startdatum van de maatregel was 1 januari 2018. Door diverse aanpassingen van de maatregel, kan ze nu pas effectief toegepast worden.

Voor welke ondernemingen?

De fiscale lastenverlaging geldt voor ondernemingen waarvan de werknemers:

  • werken in onroerende staat verrichten, en
  • in ploegen werken volgens onderstaande definitie, en
  • minstens 1/3 van hun tijd ploegenarbeid op werven verrichten (1/3-norm).

Ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht

Ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht, zijn ondernemingen waar:

  • het werk wordt verricht in één of meerdere ploegen;
  • de ploegen uit minstens twee personen bestaan, zonder rekening te houden met studenten en leerlingen van een alternerende opleiding;
  • de ploegen hetzelfde of complementair werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • de ploegen het werk verrichten op locatie, d.w.z. op een werf;
  • de ploegen werken in onroerende staat verrichten zoals hieronder uitgelegd;
  • alle werknemers van een bovenvermelde ploeg (behalve de studenten en de leerlingen van een alternerende opleiding) in 2019 een bruto-uurloon van 13,99 euro ontvangen. In 2018 bedroeg het minimum bruto-uurloon 13,75 euro.

Ondernemingen die erkend zijn voor uitzendarbeid en die uitzendkrachten ter beschikking stellen van bovenstaande ondernemingen, worden voor deze maatregel gelijkgesteld met ‘ondernemingen waar ploegenarbeid wordt verricht’.

Wat zijn werken in onroerende staat?

Het moet gaan om werken zoals bedoeld in artikel 20, § 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

In hoofdzaak gaat het over alle werken die betrekking hebben op het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt. 

Volgende activiteiten worden ook beoogd:

  1. iedere levering of aanhechting aan een gebouw:
  • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel – en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;
  • van de bestanddelen of een gedeelte van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
  • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen ;
  • van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
  • van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust ;
  • van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

     2. iedere levering van wandbekleding of vloerbedekking evenals de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

    3. ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1. of 2. hierboven.

De terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van werken in onroerende staat of van handelingen zoals hierboven omschrijven, wordt ook beoogd.

Wat betekent de 1/3-norm?

De maatregel geldt enkel voor werknemers die, overeenkomstig het arbeidsstelsel waaraan ze onderworpen zijn, minstens 1/3 van hun tijd ploegenarbeid op locatie verrichten, d.w.z. op een werf, en dit tijdens de maand waarvoor het voordeel wordt gevraagd.

Hoeveel bedraagt het financiële voordeel?

Het financiële voordeel dat volgt uit de vrijstelling van doorstorting van een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing bedraagt:

  • 3 % vanaf 01/01/2018;
  • 6 % vanaf 01/01/2019;
  • 18 % vanaf 01/01/2020.

Deze percentages worden berekend op het totaal van de belastbare bezoldigingen van al de betrokken werknemers samen.

Inwerkingtreding

De maatregel werd op 30 maart 2018 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad met een inwerkingtreding op 1 januari 2018.

Omdat de wet interpretatieve onduidelijkheden bevatte was ze niet toepasbaar. De noodzakelijke wettelijke aanpassingen verschenen op 6 mei 2019 in het Belgisch Staatsblad.

Onze Legal Partners kunnen u adviseren

Om de fiscale lastenverlaging te genieten, moeten een aantal strikte voorwaarden vervuld zijn. Contacteer onze Legal Partners (legalpartners@partena.be of telefonisch op 02/549.30.20) voor een concrete analyse van uw situatie.

Komt u in aanmerking voor de vrijstelling?

Werkgevers uit de volgende sectoren zullen binnenkort gecontacteerd worden over de praktische formaliteiten om de vrijstelling toe te passen: metaalbouw (PC 111.01 , PC 111.02, PC 111.03) schoonmaak (PC 121), bouw (PC 124), hout en stoffering (PC 126), tuinbouw (meer bepaald PC 145.02 en PC 145.04), elektriciens (PC 149.01) en uitzendarbeid (PC 322).

 

Bronnen: Wet van 26 maart 2018 betreffende de versterking van de economische groei en de sociale cohesie, B.S. 30 maart 2018; Wet van 28 april 2019 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van artikel 1, § 1ter, van de wet van 5 april 1955, B.S. 6 mei 2019.