Degradatie na zwangerschapsverlof: discriminatie!

Auteur: Catherine Legardien
Datum:

Op 3 september 2019 heeft de Arbeidsrechtbank van Brussel een uitspraak gedaan waarbij een werkgever wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan een werkneemster die bij haar terugkeer uit het zwangerschapsverlof niet meer dezelfde of een gelijkwaardige functie kon opnemen als die van voor haar afwezigheid. Volgens de rechtbank werd deze werkneemster gediscrimineerd op grond van geslacht.

Wat zijn de feiten?

In 2016 gaat een werkneemster met zwangerschapsverlof en daarop aansluitend neemt ze ouderschapsverlof op.

Enkele maanden voordien kreeg ze een positieve evaluatie en ook loonopslag.

Bij haar terugkeer krijgt de vrouw te horen dat haar afdeling gereorganiseerd werd en wordt duidelijk dat ze gedegradeerd werd.

De vrouw neemt ontslag en brengt de werkgever voor de arbeidsrechtbank.

Wat zegt de rechtbank?

Herhaling van enkele principes

1. De wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen (“genderwet”) verbiedt discriminatie op grond van het geslachtscriterium in verschillende domeinen waaronder de arbeidsrelatie. Deze wet is in het bijzonder van toepassing op de voorwaarden voor toegang tot arbeid, de bepalingen en de praktijken met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, de beloning en de beëindiging van de arbeidsrelatie.

2. De criteria van zwangerschap, bevalling, moederschap en geslachtsverandering worden gelijkgesteld met het geslachtscriterium.

3. Wanneer een werknemer die zichzelf als slachtoffer van discriminatie beschouwt, zich voor de arbeidsrechtbank beroept op feiten die het bestaan van discriminatie op grond van geslacht kunnen doen vermoeden, is het de taak van de werkgever om te bewijzen dat er geen sprake is van discriminatie. De bewijslast wordt hier dus omgekeerd.

4. De genderwet bevat geen bepaling die stelt dat de werkneemster bij terugkeer uit haar zwangerschapsverlof de functie die zij vóór haar afwezigheid vervulde of een gelijkwaardige functie moet opnemen.

5. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 20, §1, 1° van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 ( "de werkgever verplicht is de werkneemster te laten werken op de wijze, tijd en plaats zoals is overeengekomen") en op grond van het discriminatieverbod, de werkgever verplicht is de werkneemster bij de terugkeer uit zwangerschapsverlof tewerk te stellen in dezelfde of een gelijkwaardige functie.
De niet-naleving van deze verplichting moet beschouwd worden als een ongunstige behandeling. De werkgever moet dus bewijzen dat de functiewijziging geen verband houdt met het zwangerschapsverlof en daarom door andere motieven gerechtvaardigd is.

6. De werknemer die het slachtoffer is van discriminatie, kan voor de arbeidsrechtbank een schadevergoeding vorderen.
Degene die de discriminatie heeft gepleegd, moet aan de werknemer een vergoeding betalen die naar keuze van die werknemer gelijk is aan de werkelijk door de werknemer geleden schade (waarvan laatstgenoemde de omvang moet bewijzen) of aan een forfaitaire som waarvan het bedrag in de wet is vastgelegd.

Beslissing

De arbeidsrechtbank oordeelde, na te hebben vastgesteld dat de werkneemster bij haar terugkeer uit zwangerschapsverlof haar functie of een gelijkwaardige functie niet kon opnemen, dat de werkgever niet het bewijs had geleverd dat deze feiten geen verband hielden met het opnemen van zwangerschapsverlof. De werkneemster werd hier dus gediscrimineerd op grond van geslacht.

Daarom is de werkgever een vergoeding verschuldigd die overeenstemt met 6 maanden loon.

Wenst u meer informatie over de antidiscriminatieregelgeving? Raadpleeg ons artikel over dit onderwerp in het Memento van de werkgever van mei 2015.

Bronnen: arbeidsrechtbank van Brussel, 3 september 2019, AR nr. 18/401/A; wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen mannen en vrouwen, B.S. 30 mei 2007.