De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk – Investeren in opleiding

Auteur: Catherine Mairy
Datum:

Tot 31 december 2016 moesten de globale opleidingsinitiatieven 1,9 % van de loonmassa bedragen.
De wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk voorziet, vanaf 1 januari 2017, in de omzetting van deze doelstelling in een interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 dagen vorming per voltijds equivalent per jaar.

Deze doelstelling moet op interprofessioneel niveau bereikt worden als onderdeel van een groeipad.

Bedoelde werkgevers 

De nieuwe interprofessionele doelstelling geldt (hoofdzakelijk) voor alle werkgevers uit de privésector, met uitzondering van de werkgevers die minder dan 10 werknemers tewerkstellen.

Voor de werkgevers die minimum 10 en minder dan 20 werknemers tewerkstellen, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, zal een afwijkend regime worden voorzien bij Koninklijk Besluit. Dat zal met name betrekking hebben op het aantal opleidingsdagen.

Het aantal tewerkgestelde werknemers wordt berekend in voltijdse equivalenten op basis van de gemiddelde tewerkstelling van het jaar voorafgaand aan de tweejaarlijkse periode die voor de eerste keer op 1 januari 2017 is begonnen (2016 dus).

Concretiseren van de interprofessionele doelstelling

De nieuwe interprofessionele doelstelling kan geconcretiseerd worden op het niveau van de sector of, bij gebrek aan een cao in de sector, op het niveau van de onderneming.

Op het niveau van de sector

De nieuwe interprofessionele doelstelling kan geconcretiseerd worden op het niveau van de sector:

  • door het sluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) in de sector, die voorziet in een opleidingsinspanning die minstens gelijk is aan gemiddeld 2 dagen per jaar per voltijds equivalent;
  • of door het verlengen van een cao in de sector die gesloten werd voor de periodes 2013-2014 en 2015-2016 en die voorziet in een opleidingsinspanning die minstens gelijkwaardig is aan de bestaande opleidingsinspanning (uitgedrukt in dagen).

Voor de periode 2017-2018 moeten de sectorale cao’s uiterlijk op 30 november 2017 neergelegd worden op de griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Op het niveau van de onderneming

Bij gebrek aan een cao in de sector wordt de nieuwe interprofessionele doelstelling geconcretiseerd op het niveau van de onderneming door het toekennen van opleidingsdagen op een individuele opleidingsrekening:

  • het opleidingskrediet waarover de voltijdse werknemer die het ganse jaar in dienst is, op jaarbasis beschikt kan niet lager zijn dan het equivalent van 2 dagen; in een Koninklijk Besluit moeten de nadere regels worden vastgelegd volgens dewelke dit krediet wordt berekend voor een werknemer die bijvoorbeeld niet voltijds werkt;
  • de praktische bepalingen van die rekening moeten ook nog worden vastgelegd bij Koninklijk Besluit.

Opgelet! Los van de manier waarop de interprofessionele doelstelling geconcretiseerd wordt, moet in een groeipad voorzien worden. Daarin wordt het aantal opleidingsdagen verhoogd om de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 opleidingsdagen per jaar per voltijds equivalent te bereiken.

Suppletieve regeling 

Bij gebrek aan een cao in de sector en een individuele opleidingsrekening zal vanaf 1 januari 2017 een suppletieve regeling van toepassing zijn in de onderneming of meer bepaald een recht op opleiding van gemiddeld 2 dagen per jaar per voltijds equivalent.

In een Koninklijk Besluit moeten nog de nadere regels worden vastgelegd volgens dewelke dit aantal wordt berekend voor een werknemer die bijvoorbeeld niet voltijds werkt.

Opgelet! De werknemer zal onder de suppletieve regeling de mogelijkheid hebben de opleiding niet alleen binnen, maar ook buiten zijn gewone werktijden te volgen (met loonbehoud, maar zonder overloon).

Opleidingen

In het kader van de nieuwe interprofessionele doelstelling blijven de werkgevers rekenschap afleggen van de geleverde opleidingsinspanningen via de sociale balans.

De opleidingen die in aanmerking moeten worden genomen, worden echter niet uitdrukkelijk vermeld in de wet van 5 maart 2017; ze kunnen wel vermeld worden in een Koninklijk Besluit.

Alleen de begrippen ‘formele opleiding’ en ‘informele opleiding’ worden gedefinieerd. Het gaat om begrippen die vergelijkbaar zijn met de tot nu toe geldende begrippen.

In principe en tenzij anders bepaald bij Koninklijk Besluit moeten dus op zijn minst formele opleidingen (bv. de opleidingen die gevolgd worden in het kader van educatief verlof) en informele opleidingen (bv. deelname aan conferenties voor leerdoeleinden) in aanmerking worden genomen.

Inwerkingtreding

De hierboven beschreven overgangsmaatregelen treden in werking op 1 februari 2017.

Ook al zijn we nog in afwachting van heel wat verduidelijkingen, toch raden we de werkgevers aan opleidingsinspanningen te (blijven) leveren.

Bron: artikelen 9 tot 21 van de wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk, B.S. 15 maart 2017.

Voor informatie in verband met de andere maatregelen, zie hier voor een compleet overzicht

Auteur: Catherine Mairy

07/04/2017