Bedrijfsleiders en de minimale bezoldigingsvereiste

Auteur: Peggy Criel
Datum:

De Wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting schaft het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting voor kmo’s af. Een nieuwe regeling komt in de plaats. Bovendien voert de hervorming een nieuwe sanctie in voor vennootschappen die niet aan één van hun bedrijfsleiders een minimale bezoldiging toekennen.

Oude regeling

Onder de oude regeling genoten kmo’s, onder bepaalde voorwaarden, een verlaagd opklimmend tarief in de vennootschapsbelasting. Via dit verlaagd opklimmend tarief steeg het tarief van de vennootschapsbelasting naarmate het belastbare inkomen toenam. Vanaf dat het belastbaar inkomen een bepaalde grens bereikte, gold het gewone tarief op het totale belastbare inkomen.

Één van de voorwaarden om het verlaagd opklimmend tarief toe te passen, was dat de vennootschappen aan ten minste één van zijn bedrijfsleiders een minimale bezoldiging van 36.000 EUR toekenden.

Nieuwe regeling

Tarief van de vennootschapsbelasting

De Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting schaft het verlaagd opklimmend tarief van de vennootschapsbelasting voor kmo’s af.

Het nieuwe tarief van de vennootschapsbelasting bedraagt 29% en zal later nog wijzigen.

Vennootschappen die beantwoorden aan de definitie van kleine vennootschap op basis van artikel 15, §§ 1 tot 6 van het Wetboek van Vennootschappen, genieten een verlaagd tarief van 20% op de eerste schijf van 100.000 EUR belastbaar inkomen.

Aan de verlaging van het tarief zijn bijkomende voorwaarden verbonden, onder andere de toekenning van een minimale bezoldiging. Zo moeten de vennootschappen aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een bezoldiging toekennen die minstens gelijk is aan 45.000 EUR.

Is het resultaat van het belastbaar tijdperk lager dan 45.000 EUR? Dan moet de bezoldiging van één van de bedrijfsleiders minstens gelijk zijn aan dit resultaat.

Afzonderlijke aanslag

De Wet van 25 december 2017 voert bovendien een nieuwe sanctie in onder de vorm van een afzonderlijke aanslag. Deze aanslag geldt voor alle vennootschappen (klein én groot) indien zij aan geen enkele van hun bedrijfsleiders een bezoldiging toekennen die ten minste gelijk is aan 45.000 EUR.

Is het resultaat van het belastbaar tijdperk lager dan 45.000 EUR? Dan is de afzonderlijke aanslag van toepassing indien de bezoldiging niet minstens gelijk is aan het resultaat van het belastbaar tijdperk.

In een eerste fase bedraagt de afzonderlijke aanslag 5% van het verschil tussen de vereiste minimumbezoldiging en de hoogste toegekende bezoldiging door de vennootschap.

Inwerkingtreding

De nieuwe regeling is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018.

 

Bron: Wet van 25 december 2017 tot hervorming van de vennootschapsbelasting, B.S. 29 december 2017.

Auteur: Peggy Criel

03/04/2018